Samen bouwen aan een lerende regio: 10 vragen aan de projectleider van het LLO-Collectief NHN
Vonk is penvoerder van de regionale samenwerking LLO-Collectief NHN en heeft hiervoor een subsidie van € 2,2 miljoen ontvangen. De komende twee jaar werken we samen met onder andere gemeenten, werkgevers, Talland en andere onderwijspartners aan één gezamenlijk doel: ontwikkelen bereikbaar maken voor iedereen.
Dat klinkt misschien ambitieus – en dat is het ook. In Noord-Holland Noord zijn veel mensen die graag willen werken of zich verder willen ontwikkelen, maar worden belemmerd doordat zij moeite hebben met taal, rekenen of digitale vaardigheden. Tegelijkertijd staan werkgevers te springen om goed opgeleide medewerkers. Met het LLO-Collectief NHN brengen we die twee werelden dichter bij elkaar.
Maar wat houdt het LLO-Collectief precies in? Waarom is Vonk penvoerder? En wat gaan inwoners, werkgevers én wij als collega's daar uiteindelijk van merken?
Maak kennis met Vivianne, manager onderwijs educatie bij Vonk en projectleider van het LLO-Collectief NHN. Ze vertelt over de ambities van het project, de kracht van regionale samenwerking en waarom taal voor haar de sleutel is tot gelijke kansen.
1. Vertel eens kort iets over jezelf en je rol bij Vonk
"Ik ben Vivianne en ben nu drie schooljaren manager onderwijs educatie bij Vonk. Samen met het team educatie verzorgen we onderwijs voor volwassenen die hun basisvaardigheden willen versterken. Dat doen we voor anderstaligen (NT2) en voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven (NT1).
Ons onderwijs vindt plaats op zo'n veertig locaties verspreid over Noord-Holland Noord. We verzorgen trajecten vanuit de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB), maar ook opleidingen die worden gefinancierd door gemeenten, werkgevers en andere partners. Het LLO-Collectief NHN is daar nu een mooie aanvulling op."
2. Je bent projectleider van het LLO-Collectief NHN. Wat is het LLO-Collectief NHN eigenlijk?
"Het LLO-Collectief NHN is een regionale samenwerking die mogelijk wordt gemaakt door een subsidie uit het Nationaal Groeifonds. Noord-Holland Noord is één van de 21 arbeidsmarktregio's die deze subsidie heeft ontvangen.
Het doel is om volwassenen met lage basisvaardigheden beter voor te bereiden op een volgende stap: richting werk, een opleiding of een betere positie in de samenleving. Dat doen we samen met gemeenten, werkgevers en onderwijspartners.
Binnen het project ontwikkelen we verschillende leertrajecten. Denk aan werkgerichte taaltrajecten voor anderstaligen, waarin deelnemers leren hoe ze gesprekken voeren op de werkvloer, een ontwikkelgesprek aangaan of verlof aanvragen. De eerste achttien weken ligt de nadruk op mondelinge taalvaardigheid. Daarna kunnen deelnemers verder met verdiepende modules, zoals het schrijven van een cv, solliciteren of het verbeteren van hun schrijfvaardigheid.
We ontwikkelen met onze regionale partners ook een aanpak voor NT1-doelgroepen: mensen die Nederlands als moedertaal hebben, maar moeite hebben met lezen en schrijven. Dat vraagt om een heel andere benadering. Schaamte speelt vaak een grote rol. Samen willen we deze doelgroep beter leren herkennen, erkennen en begeleiden."
3. Waarom is dit project juist nu zo belangrijk voor Noord-Holland Noord?
"Er is een groot tekort op de arbeidsmarkt. Dit terwijl er tegelijkertijd veel mensen zijn die graag willen werken, maar door een taalachterstand of beperkte basisvaardigheden moeilijk aan passend werk komen. Met het LLO-Collectief slaan we een brug tussen die twee. Hier zoeken we ook actief de samenhang met andere subsidies, initiatieven en projecten die zich op dezelfde doelgroep richten. Dan hebben we het over bijvoorbeeld de verschillende Regiodeals, Entree NH, Iedereen doet mee en Bibliotheekwerkplaats.
We kijken bijvoorbeeld samen met gemeenten welke scholing iemand nodig heeft om weer perspectief op werk te krijgen. Ook zien we dat studenten soms uitvallen omdat de taalvaardigheid onvoldoende aansluit op de opleiding. Door extra taalondersteuning aan te bieden, kunnen zij toch succesvol een opleiding afronden en doorstromen naar werk. Zo ontwikkelen we onderwijs dat beter aansluit op de praktijk én op de mensen die het nodig hebben."
4. Waarom is Vonk penvoerder van deze subsidie?
"Voor Vonk is deze rol eigenlijk heel logisch. We verzorgen al jarenlang de WEB-trajecten voor de zeventien gemeenten in onze regio en werken dagelijks met deze doelgroepen. Daarnaast hebben we een sterk netwerk van gemeenten, werkgevers, taalhuizen en maatschappelijke organisaties.
Het LLO-Collectief geeft ons de ruimte om verder te kijken dan alleen het aanbieden van onderwijs. We kunnen onderzoeken wat werkt, nieuwe aanpakken ontwikkelen en meer maatwerk bieden. Het is eigenlijk een proeftuin waarin we samen leren en verbeteren. Dit sluit ook mooi aan op het practoraat dat nu opgericht wordt, daar kunnen we alles borgen wat we geleerd hebben.
Daarnaast zien we dat veel van onze cursisten de stap naar het mbo zouden kunnen maken, maar dat taal of andere drempels dat nog in de weg staat. Met het LLO-Collectief willen we juist die schakel zijn tussen (taal)onderwijs, opleidingen en de arbeidsmarkt."
5. We werken samen met gemeenten, werkgevers en onderwijsinstellingen. Waarom is die regionale samenwerking zo belangrijk?
"De uitdagingen waar we voor staan zijn niet uniek voor een specifieke gemeente. In de hele regio lopen we tegen dezelfde vraagstukken aan. Door samen te werken hoeven we niet allemaal opnieuw het wiel uit te vinden.
We kunnen kennis delen, succesvolle aanpakken opschalen en gebruikmaken van elkaars expertise. Bovendien werken veel organisaties, zoals het Werkcentrum en landelijke organisaties rondom basisvaardigheden, al over gemeentegrenzen heen. Juist daarom is een regionale aanpak veel sterker dan wanneer iedereen afzonderlijk aan dezelfde opgave werkt."
6. Voor wie doen we dit uiteindelijk?
"We doen dit allereerst voor mensen die moeilijk aan werk komen of die nu werk doen dat eigenlijk niet goed bij hen past. Door hun taal- en basisvaardigheden te versterken, vergroten we hun kansen op de arbeidsmarkt én hun zelfvertrouwen.
Maar ook werkgevers profiteren hiervan. Zij zijn op zoek naar goed opgeleide en gemotiveerde medewerkers. Door onze trajecten beter aan te laten sluiten op de praktijk, helpen we werkgevers én werknemers vooruit.
Daarnaast kijken we kritisch naar ons onderwijs. Sluit dat voldoende aan op deze doelgroep of moeten we dingen anders organiseren? Ook gemeenten hebben hier belang bij, omdat zij mensen zo goed mogelijk willen begeleiden naar werk en participatie."
7. Wat gaan inwoners en werkgevers straks echt merken van het LLO-Collectief?
"Op dit moment kennen we lange wachtlijsten binnen de WEB. Met het LLO-Collectief hopen we een deel daarvan op te vangen en mensen sneller passende ondersteuning te bieden.
Werkgevers merken straks dat medewerkers beter voorbereid zijn op de praktijk. Daarnaast gaan we werkgevers helpen om laaggeletterdheid beter te herkennen. Veel mensen weten hun hele leven goed te verbergen dat lezen of schrijven lastig is. Dat vraagt om bewustwording én deskundigheid.
Daarom investeren we niet alleen in deelnemers, maar ook in werkgevers en docenten. NT1-onderwijs vraagt namelijk om andere kennis en vaardigheden dan regulier taalonderwijs.
Uiteindelijk gaat het om veel meer dan werk alleen. Als iemand beter leert lezen of schrijven, groeit vaak ook het zelfvertrouwen. Mensen durven weer een opleiding te volgen, een andere baan te zoeken of zelfs iets ogenschijnlijk kleins, zoals een boek voorlezen aan hun kleinkind. Dat maakt een enorm verschil in kwaliteit van leven."
8. Het project loopt twee jaar. Waar hoop je op als we straks in 2028 terugkijken?
"Ik hoop dat we kunnen aantonen dat onze deelnemers daadwerkelijk sterker in het leven zijn komen te staan. Dat zien we niet alleen in taalontwikkeling, maar ook in hun positie op de arbeidsmarkt en hun maatschappelijke deelname.
Daarnaast hoop ik dat de trajecten die we ontwikkelen niet verdwijnen als de subsidie stopt. Het zou mooi zijn als succesvolle onderdelen structureel onderdeel worden van ons onderwijs of andere bestaande trajecten.
En misschien nog wel het belangrijkste: dat de samenwerking in de regio zo stevig is geworden dat inwoners eenvoudig hun weg weten te vinden naar de juiste ondersteuning."
9. Welke uitdaging zie je onderweg?
"Voor de NT1-doelgroep ligt de grootste uitdaging in het vinden en bereiken van mensen. Laaggeletterdheid is vaak onzichtbaar en er rust nog steeds veel schaamte op. Dat vraagt om een gezamenlijke inspanning van gemeenten, werkgevers, onderwijs en maatschappelijke organisaties.
Structurele financiering blijft ook een uitdaging. We willen graag duurzame oplossingen ontwikkelen, terwijl financiering vaak tijdelijk is. Dat maakt het soms lastig om succesvolle initiatieven ook op lange termijn te borgen.
Tot slot vraagt zo'n regionale samenwerking veel afstemming. Je werkt met meerdere partners, verschillende belangen en een gezamenlijke ambitie. Dat kost tijd, maar juist die samenwerking maakt het uiteindelijk ook heel waardevol."
10. Waar kijk jij persoonlijk het meeste naar uit?
"Ik hoop dat we over een paar jaar werkgevers horen zeggen dat zij dankzij deze samenwerking goed voorbereide medewerkers hebben gevonden. Dat gemeenten zien dat meer inwoners duurzaam aan het werk zijn gegaan. En dat we samen kunnen zeggen: dit hebben we écht met elkaar bereikt.
Mijn grootste motivatie is eigenlijk heel eenvoudig. Taal is de basis van alles. Als je de taal beheerst, krijg je meer kansen, meer zelfvertrouwen en meer regie over je eigen leven.
Stel je voor dat je iedere dag in een land bent waar je de taal niet spreekt. Je kunt de menukaart niet lezen, geen afspraak maken bij de huisarts of een brief niet begrijpen. Voor veel mensen is dat geen vakantie van twee weken, maar de dagelijkse realiteit.
Iedereen verdient gelijke kansen. Als wij daar met dit project aan kunnen bijdragen, dan is dat voor mij de allermooiste opbrengst. En hoe bijzonder zou het zijn als we over een paar jaar kunnen zeggen dat iemand die ooit zonder één woord Nederlands begon, inmiddels een mbo-diploma op niveau 3 heeft behaald?"